Bij de lezingen van januari

11 januari - Doop van de Heer
Mt 3,13-17
Ik heb het voor jou
In het sacrament van het doopsel wordt ons teken gedaan vanuit de hemel. Het is dan alsof God zelf tot ons zegt: “Jij bent mijn lieveling. Ik heb het voor jou!” Als er enige zinnige uitleg kan gegeven worden aan een doopsel voor pasgeboren kinderen dan best deze: ook al is een baby zich er niet van bewust, hij/zij wordt op z'n minst door enkele mensen (en liefst ook door de ganse christelijke geloofsgemeenschap) al herkend als een geliefd kind van God.
Dit kind weliswaar 'ondergaat' alleen maar deze lieve attentie van God, het ontvangt dit niet eens. Het overkomt hem of haar. Op dit vlak staat het gelijk met allen die niet gedoopt worden of zijn, de zogenaamde heidenen. Ook zij zijn allen, heel zeker, geliefde kinderen van God, zonder dat ze dit zelf beseffen of erkennen.
Als christenen krijgen wij hier een grote verantwoordelijkheid. Wij worden uitgenodigd om het geweten te zijn van deze gulle waarheid. Voor een christen zijn immers 'alle' mensen geliefde kinderen van God. Aan ons om hen dit helpen gewaar te worden.
Waarom dan nog langer onze kinderen laten dopen? Omdat ouders en familie de eersten zijn en de belangrijksten om aan hun kind te laten voelen dat het zo is. Liefde en zorgzame toewijding zullen in de opvoedingsjaren de voertuigen zijn langs waar hun kind hopelijk zal binnen gevoerd worden in die goddelijke waarheid.
Het doopsel is voor deze kinderen begonnen, maar zal maar voltooid worden door het gelovig antwoord van het volwassen-geworden kind. En zelfs dat geloof is niet af. De mens blijft, ook al beweert hij/zij gelovig te zijn, een levenslange zoeker.
Het goddelijk geschenk van ons doopsel wordt er hier zeker niet minder om. Het doopsel wordt hier meer een uitnodiging, een steun en een hulpmiddel dan een diploma of een toegangskaartje tot de hemel.
18 januari - Tweede zondag jaar A
Joh 1,29-34
Van God gezonden
Dit jaar zal Mattheüs onze gids zijn. Van zondag tot zondag, tot aan Christus Koning (de laatste zondag van het liturgisch jaar A) beschrijft hij, wie en hoe die Jezus van Nazareth met God en de mensen omgaat. Het is het eerste van de vier evangeliën. Maar eerst krijgen we, om te beginnen, een aanzet van Johannes die ons de grondtoon aanreikt waarop Jezus zijn levenslied zal componeren. Het is de bril die we best altijd opzetten om het evangelie te lezen. Die werd ons wel al aangereikt in de Kersttijd: de aankondiging van de geboorte van Jezus aan Maria en Jozef, zijn menswording en al wat zich daarrond afspeelde, moeten we immers bekijken vanuit Gods plan met mens en wereld. Vandaar ook de vele verwijzingen naar teksten uit het Oude Verbond. Het lijkt wel of alles, wat voorbij is, een nieuw begin krijgt. Het evangelie is geen roman over een fantast of superman; het is het verhaal over iemand van vlees en bloed die 'door God geleid' wordt.
Dat is ook de conclusie van de Doper: “Deze is waarlijk de Zoon van God!” Het symbool daarbij is de duif die uit de hemel neerdaalt bij zijn doopsel. Verwijst die misschien naar de duif met dat groene takje die Noach (bij de zondvloed) deed herleven als teken dat redding op komst was? Het onheil van de zond(en)vloed is weldra voorbij. Het waterpeil zakt nu zienderogen. Er is weer hoop. De zondigheid overspoelt niet langer de mensheid. De zon breekt door, de aarde wordt weer leefbaar. Hij is het Lam Gods dat de zonden van de wereld wegdraagt. Hij is het begin van een nieuwe schepping. Hij is de kleurrijke boog die de kloof tussen aarde en hemel overbrugt.
Nu kan het evangelieverhaal beginnen. Mattheüs wordt vanaf volgende zondag onze wekelijkse gids, en dit tot en met Christus Koning (22 november), alleen onderbroken door de Paaskring. Het wordt ‘blij nieuws’ voor heel de mensheid. Jezus haalt ons van Godswege uit het noodlot van zonde en dood. 'Eu-vangelion' uit het Grieks vertaald: 'Verheugend nieuws'!
25 januari 2026 - Derde zondag door het jaar
Mattteüs 4,12-23
Mensen opvissen
Wondere wijze waar en hoe Jezus zijn zending aanvangt. Johannes de Doper is door Herodes gevangen gezet. Jezus voelt zich van meet af aan bedreigd, en wijkt uit naar Galilea. Hij vestigt zich in Kafarnaüm, een randstadje aan het meer van Genezareth. Voor autochtone Joden is deze landstreek een bedenkelijke randprovincie, die zich schaamteloos vermengt met de heidenen. Met dat volk van Naftali en Zebulon is nu eens niks aan te vangen.
Uitgerekend daar zal Jezus zijn programma starten: 'Bekeert u, want het Rijk Gods is nabij!' Precies tussen dat volk kiest hij zijn eerste volgelingen, twee stellen broers: Simon en Andreas, en Jacobus en Johannes. Later zal Hij ook nog Levi (Mattheüs) aanspreken, de tolbeambte. Jezus' volgelingen zijn dus voor de Joden zeker geen mensen met aanzien. Hier wordt al overduidelijk hoe God in Jezus te werk zal gaan. Hij kiest voor ons niet op grond van afkomst, verdiensten of prestaties, Hij handelt alleen en puur uit liefde. Aanstonds wordt duidelijk dat God ons nodig heeft (of wil hebben).
Wonder ook hoe deze vissers bij Jezus aansluiten zonder enige voorwaarde of garantie. Zij voelen zich aangesproken, en dat zal hun leven grondig heroriënteren. Maar niets of niemand weerhoudt hen Hem te volgen. 'Wie de hand aan de ploeg slaat moet niet meer achterom kijken.' Zo verging het Abraham, vader van alle gelovigen, zo verging het deze eenvoudige vissers, zo dient het te gaan met al wie Hem aanhangt. 'Kom, en volg Mij!' Ik zal maken dat jullie vanaf nu je kunnen wijden aan 'opvang van mensen'.
Onze eerste bekommernis moet niet zijn om mensen weer naar de kerk te krijgen. Waar we vandaag meest nood aan hebben is: mensen aanspreken om mee van andere mensen te leren houden. Waar ‘liefde’ heerst, daar woont God. Alleen vanuit deze praktijk kunnen we pas echt tot vieren komen, en niet andersom. Wij moeten leren ‘mét Hem’ op weg te gaan naar andere mensen.